Publicaties

Hieronder zijn mijn publicaties en lezingen vanaf 1 januari 2016 te raadplegen. Wil je een publicatie ontvangen stuur dan via Contact een bericht. Dit geldt ook indien je oudere publicaties wilt ontvangen.

E. Schop, ‘Het pensioenmijnenveld bij fusie en overname’, PensioenAdvies 2017/108
Sinds 2015 neemt het aantal overnames (fusies) weer sterk toe. Bij een fusie hebben arbeidsvoorwaarden veelal weinig prioriteit. Er is wel behoefte aan harmonisatie of versobering van de arbeidsvoorwaarden, maar dit is veelal een zorg voor later. Werknemers hebben een sterk beschermingsrecht waar het gaat om het wijzigen van arbeidsvoorwaarden na (dat wil zeggen: als gevolg van) een fusie. Ook waar het gaat om pensioen, echter is de uitwerking van dit beschermingsrecht afhankelijk van het soort fusie.

E. Schop, ‘Gevolgen indexatie na opzeggen verzekerde uitkeringsovereenkomst’, PensioenAdvies 2017/83
‘Nieuwe pensioenovereenkomst: Nooit meer indexaties?’ op www.pensioenklokkenluider.nl leest alsof een nieuwe woekeraffaire dreigt. Het neigt naar een oproep tot ‘class action’ of misschien zelfs naar verzekeraartje ‘bashen’. De claim is naar mijn idee te kort door de bocht voor generieke toepassing. Waarom dat zo is, komt in dit artikel aan de orde, maar eerst ga ik in op de essentie van de uitspraak Euronext, vervolgens vertaal ik deze naar de verzekerde pensioenregeling en ga ik in op recente relevante rechtspraak.

E. Schop, ‘Verplichte deelname Bpf, of niet? Recente rechtspraak’, PensioenAdvies 2017/50
Is er sprake van een verplichte deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds dan dient in de werkingssfeerbepalingen duidelijk te zijn afgebakend op welk soort ondernemingen die verplichting van toepassing is. Werkingssfeerbepalingen zijn veelal helder, maar vaak is het uitleggen ervan toch een hele uitdaging. Verplichte toepassing heeft voor een onderneming vaak verstrekkende financiële gevolgen. In deze bijdrage gaat het niet zozeer om (het voorkomen of beperken van) deze gevolgen, maar om de vaststelling of er überhaupt sprake is van een verplichting.

P. van Noort & E. Schop, ‘Medezeggenschap over pensioen in kleine ondernemingen’, PensioenAdvies 2017/35
De Sociaal Economische Raad (‘SER’) heeft op 15 september 2016 van Staatssecretaris Klijnsma een adviesaanvraag ontvangen over medezeggenschap ten aanzien van een collectieve pensioenregeling in kleine ondernemingen. Het gaat daarbij om ondernemingen met 10 tot 50 werknemers, die niet verplicht zijn om een ondernemingsraad (‘OR’) in te stellen. Concreet is de SER de volgende vraagstelling voorgelegd: Hoe kan de medezeggenschap dan wel invloed van werknemers in kleine ondernemingen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarde pensioen versterkt worden rekening houdend met: (a) de complexiteit van het terrein pensioen en (b) de noodzaak de administratieve lasten voor kleine ondernemingen beperkt te houden?”

M. Huisman & E. Schop, ‘Welvaartswinst: goed rekenwerk of framing?’ Pensioen Advies 2017/38
‘Welvaartswinst van risicodeling en renteafdekking bij pensioen’. Dat is de titel van een notitie van het Centraal Planbureau (CPB) die de overheidsinstelling op 28 november van het vorige jaar aan de Werkgroep Intergenerationele Risicodeling van Netspar stuurde. Het onderwerp is uiterst actueel, beladen en politiek gevoelig en niet minder omdat de slotconclusie van de notitie uitgelegd kán worden als een sterk staaltje framing of op zijn minst als een gevalletje ‘de wens is de vader van de gedachte’. Hoe zit dat?

E. Schop, ‘Instemmingsrecht OR en pensioen: alle knelpunten opgelost?’, Tijdschrift voor Recht & Arbeid, 2017/2
De ondernemingsraad (‘OR’) heeft op grond van artikel 27 van de Wet op de ondernemingsraden (‘WOR‘) instemmingsrecht over de arbeidsvoorwaarde pensioen. Artikel 27 WOR leverde in de praktijk echter een aantal knelpunten op. Voor het kabinet was dit in 2014 aanleiding tot een meer fundamentele discussie over de reikwijdte van het instemmingsrecht en de wettelijke regels inzake de medezeggenschap bij pensioenregelingen te verduidelijken, te stroomlijnen en lacunes in medezeggenschap weg te nemen. Dit heeft er toe geleid dat op 1 oktober 2016 een aanpassing van de WOR in werking is getreden. Het instemmingsrecht van de OR over pensioen is daarmee verhelderd en lacunes in de medezeggenschap op pensioengebied zijn weggenomen. Althans, volgens de wetgever.

E. Schop, Annotatie bij College Rechten van de Mens  Oordeel 2016-101 d.d. 3 oktober 2016, Pensioenjurisprudentie 2016/153
Het College voor de Rechten van de Mens (hierna “het College”) komt tot het oordeel dat heir geen sprake is van verboden onderscheid. Maar wel onder zeer strikte voorwaarden. De conclusie is dat datum in dienst niet zonder risico is toe te passen als onderscheidend criterium.

E. Schop, ‘Verbod op onderscheid naar datum in dienst?’, PensioenMagazine 2017/5
Het wijzigen van arbeidsvoorwaarden kan er toe leiden dat werknemers worden geconfronteerd met andere (veelal minder goede) arbeidsvoorwaarden dan hun collega’s. Dit doet zich met name voor als de wijziging plaatsvindt voor werknemers die tot de datum van wijziging een bepaalde leeftijd nog niet hebben bereikt of na een bepaalde datum in dienst zijn getreden. In dit artikel staat deze laatste vorm van onderscheid centraal, een in de praktijk vaak voorkomend criterium op grond waarvan werknemers verschillend worden behandeld. Aanleiding voor dit artikel is het oordeel 2016-101 van 3 oktober 2016 van het College voor de Rechten van de Mens.

Interview met Edwin Schop, ‘Het beste pensioen is employability’, PensioenAdvies, 2016/58
Na alle gesprekken met bestuurders, beslissers en beleidsmakers over pensioen, die de redactie van Pensioen Advies dit jaar gevoerd heeft, is het tijd om de balans op te maken. En dat doen we in een gesprek met Edwin Schop. Edwin is niet alleen eigenaar en directeur van Flexis Groep en dus een in de praktijk gepokt en gemazelde pensioenprofessional. Hij is ook wetenschappelijk goed onderlegd.

E. Matthiesen & E. Schop, uniforme marktrentestaffels graag!, Pensioenadvies 2016/126
De uniforme staffels zoals die zijn opgenomen in het laatste fiscale staffelbesluit (Besluit van 17 december 2014, nr. BLKB2014/2132M) zijn gebaseerd op een rekenrente van 4% (Bijlage I uit voornoemd besluit). Door middel van een beschikbare premiestaffel op basis van een lagere rekenrente kan een pensioenregeling worden vormgegeven die meer in overeenstemming is met de actuele marktrente. De kans is dan ook groter dat een beoogd middelloonniveau kan worden gerealiseerd.

E. Lutjens & E. Schop, Wet verbeterde premieregeling: analyse & commentaar, Tijdschrift voor pensioenvraagstukken 2016/38
De Wet verbeterde premieregeling (Stb. 2016, 248) treedt 1 september 2016 in werking. Deze wet maakt een variabele pensioenuitkering bij een kapitaal- en premieovereenkomst mogelijk door het pensioenkapitaal na pensioeningang voor risico van de pensioengerechtigde te blijven beleggen of door de ontwikkeling van het sterfteresultaat, dan wel de levensverwachting. In dit artikel analyseren we de wet en voorzien wij deze van commentaar. Tenslotte gaan wij in de conclusie in op de vraag of de wet effectief is.

E. Schop, ‘(W)OR en pensioen: alle knelpunten opgelost?’, Lezing Vereniging voor pensioenrecht, Utrecht 16 november 2016
Op 16 november 2016 zal Edwin Schop (Flexis Groep) samen met Rudi van der Stege (Sprengers Advocaten) en Monica Swalef (Swalef Pensioenjuristen) voor de Vereniging voor Pensioenrecht een aantal presentaties verzorgen over de wettelijke bevoegdheden van de ondernemingsraad met betrekking tot de pensioenregeling. Edwin gaat in op de positie van de OR na de recente wetswijziging per 1 oktober 2016.

E. Schop, ‘Wet verbeterde premieregeling: verbetering?’, PensioenAdvies 2016/53
De Wet verbeterde premieregeling (Stb. 2016, 248) treedt 1 september 2016 in werking. Deze wet maakt een variabele pensioenuitkering bij een kapitaal- en premieovereenkomst mogelijk door het pensioenkapitaal na pensioeningang voor risico van de pensioengerechtigde te blijven beleggen of door de ontwikkeling van het sterfteresultaat, dan wel de levensverwachting. Daardoor ontstaat de kans op een hoger pensioen dan bij een vastgestelde uitkering mogelijk is. De keerzijde is dat het pensioen daardoor onzekerder wordt en minder stabiel. Het wetgevingsproces was intensief en rommelig. Er is nogal wat aan het oorspronkelijke wetsvoorstel aangepast dat praktische gevolgen heeft voor adviseurs, pensioenuitvoerders, werkgevers maar vooral voor de deelnemers. Dit artikel gaat in op de belangrijkste punten van de wet.

E. Schop, (On)gelijke behandeling: stand van zaken’. VU-lezing Pensioenrecht, Annotatoren over recente rechtspraak, 27 september 2016, Amsterdam
Actuele onderwerpen uit de rechtspraak wordt uitgediept en becommentarieerd. Zij gaan daarbij in op de vraag of de uitspraken aansluiting bij de (pensioen)wetgeving en zullen praktische gevolgen en aandachtspunten bespreken. Docenten: Bas Degelink – advocaat bij DLA Piper, Teun Huijg – advocaat bij Stibbe, Edwin Schop – directeur Flexis Groep, Hans Breuker, Hoofd juridische zaken TKP Pensioenen, Albert van Marwijk Kooy – partner Van Doorne Advocaten & Notarissen.

E. Schop (c.s.), Kroniek Pensioenrechtspraak, Publicatie Vereniging van Pensioenjuristen, juni 2016
De werkgroep Pensioenjurisprudentie van de Vereniging van Pensioenjuristen heeft zich mede als taak gesteld jaarlijks over pensioenrechtspraak te berichten. Onder meer door het vervaardigen van een kroniek. Hiermee is de werkgroep begonnen in 2012. Een selectie van in 2015 gepubliceerde pensioenrechtspraak is opgenomen in deze kroniek.

E. Schop, ‘Pensioen bij doorwerken: uitsluiten is niet eenvoudig’, PensioenAdvies 2016/53 
Geschillen over pensioenopbouw bij doorwerken nadat een werknemer de pensioenleeftijd heeft bereikt, zullen in de toekomst steeds vaker voorkomen. Dat heeft niet alleen te maken met het feit dat steeds meer werknemers doorwerken en het logisch vinden dat hun pensioenopbouw dan ook gewoon doorgaat, maar ook met begripsverwarring over de inhoud van ogenschijnlijk synonieme begrippen als pensioen(richt)leeftijd, pensioendatum en pensioengerechtigde leeftijd.

E. Schop, ‘Wijzigen van een pensioenregeling; stand van zaken’, Vakblad Financiële Planning juni 2016 nr. 6
In dit artikel ga ik in op het rechtsgeldig door een werkgever of pensioenfondsbestuur wijzigen van een pensioenregeling en het mogelijke verzet daartegen door een (ex-)werknemer. ik behandel eerst de materiële kant, vervolgens de formele kant van de wijziging.

E. Schop, ‘Steun voor ruime verplichtstelling StiPP’, 2 mei 2016, Het Financieele Dagblad
Er is al jaren veel te doen over verplichte aansluiting bij StiPP, het bedrijfspensioenfonds voor de uitzendbranche. Detacheerders en payrollbedrijven zullen benieuwd zijn naar de uitkomst. Veel ondernemers hebben grote bezwaren tegen een verplichte aansluiting bij StiPP. Niet zelden raken zij in grote problemen door de claim van dit pensioenfonds. De vraag is dan wanneer een werkgever een ‘uitzendwerkgever’ is en daarmee onder de werkingssfeer van dit fonds valt. De A-G heeft inmiddels over de in cassatie gestelde zaak C4C geconcludeerd.

E. Schop, Annotatie bij College Rechten van de Mens d.d. 23 februari 2016, Pensioenjurisprudentie 2016/59
Deelnemer bouwt na 65ste verjaardag geen pensioen meer op, terwijl zij dan nog wel in dienst is. Zij vindt dat het pensioenfonds haar discrimineert op grond van leeftijd. Het College volgt het pensioenfonds in zijn argumenten. De deelnemer heeft over het algemeen genomen een beter pensioen kunnen opbouwen dan jongere werknemers, haar pensioenopbouw is altijd afgestemd op pensioenleeftijd 65 jaar en heeft daarom een volledig pensioen kunnen opbouwen en, zo stelt het College, heeft het fonds afdoende aangetoond dat het een verhogend effect heeft op de pensioenpremie en valt het opbouwpercentage voor alle deelnemers lager uit. Hiermee is naar het oordeel van het College voldaan aan het vereiste van proportionaliteit, en daarmee ook aan het vereiste van subsidiariteit. Het onderscheid is daarmee objectief gerechtvaardigd.

E. Schop, ‘Instemmingsrecht OR: twee punten’, PensioenMagazine 2016/56
Met genoegen heb ik de zeer heldere bijdrage ‘Instemmingsrecht voor de OR: nog enkele aandachtspunten’ in Pensioen Magazine nr. 3, 2016 van Roel Veugelers gelezen. Met de meeste van de door hem uitgewerkte aandachtspunten ben ik het helemaal eens. Met twee punten echter niet. Waarom ik daar anders over denk, zet ik in deze reactie uiteen. Verwerking hiervan leidt, samen met de overige aandachtspunten van Veugelers, tot realisatie van de doelstellingen van het wetsvoorstel: het wegnemen van het aanwezige medezeggenschapstekort en van onduidelijkheden.

E. Schop, ‘Harmonisatie en wijziging van DB naar DC’. Congres ‘OP + TOP Pensioen’, Duker & Baelemans, Maarssen 20 maart 2016
Binnen veel bedrijven en sectoren wijzigt het karakter van de pensioenregeling van DB (defined benefit) naar DC (defined contribution). Aan de hand van praktijkcasus bespreekt Edwin Schop de belangrijkste aandachtspunten in dit proces. De focus ligt vooral op het harmonisatieproces voor de pensioenregelingen, en dat bezien vanuit het arbeidsvoorwaardenbeleid. Ook de eventuele compensatiemaatregelen komen aan de orde.

E. Schop, ‘Wetsvoorstel (W)OR en pensioen: we zijn er bijna’, PensioenAdvies 2016/17 
Aanvankelijk werd in het wetsvoorstel tot invoering van art. 27 Wet op de ondernemingsraden (hierna “WOR”) de ondernemingsraad (hierna “OR”) een instemmingsrecht toegekend betreffende ‘een pensioenregeling’. Tijdens het wetgevingsproces zijn de woorden ‘een pensioenregeling’ via een amendement vervangen door ‘een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering’. Het doel van dit amendement was, in het geval de uitvoering van een pensioenregeling plaatsvindt door een pensioenfonds, een samenloop van democratiseringsprocessen tussen de WOR en de Pensioenen spaarfondsenwet te voorkomen.

E. Schop, ‘Collectieve en individuele waardeoverdracht: de praktijk’, Lezing Aegon Adfis, 8 maart 2016
Naast de bekende pensioenuitvoerders heeft in 2016 het Algemeen Pensioenfonds (APF) de pensioenmarkt betreden. Als de voorspellingen kloppen, stappen veel werkgevers over naar deze nieuwe uitvoerder. Dragen zij dan ook de opgebouwde waarde over naar het APF? En zijn er dan speciale punten waarop zij moeten letten? Diezelfde vragen spelen bij de Belgische pensioenuitvoerder (het OFP). Die laat zich steeds nadrukkelijker horen in Nederland. Wat betekent zo’n buitenlandse pensioenuitvoerder voor uw Nederlandse pensioenregeling? Ook op het terrein van individuele waardeoverdracht speelt het een en ander. Sinds 2015 kunnen werknemers ook na een termijn van zes maanden besluiten tot waardeoverdracht. En er staan wetswijzigingen in de planning. Waar moet u in het bijzonder op letten? Deze vragen en meer bespreken wij tijdens onze training. Als gastspreker deelt Edwin Schop van Flexis Groep zijn ervaringen uit de adviespraktijk.

E. Schop, ‘Apf dè oplossing? Wellicht, maar nuancering past!’, LinkedIn, 6 maart 2016
Is het nieuwe Algemeen Pensioenfonds (hierna “Apf”) dé oplossing voor een betaalbare toekomstbestendige pensioenregeling? Dat lijkt volgens veel berichtgeving het geval. Voor het Apf ligt een mooie toekomst in het verschiet. Maar nuancering past, vooral ten aanzien van huidige verzekerde uitkeringsovereenkomsten.

C. van Herpen & E. Schop, ‘Wetsvoorstel OR en pensioen: analyse & commentaar’, 11 februari 2016
De bestaande regeling voor het instemmingsrecht met betrekking tot pensioen is onduidelijk. Bovendien is er sprake van een lacune waardoor de OR (hierna “OR”) niet in alle gevallen instemmingsrecht heeft. Het ‘Voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen’ verduidelijkt dat de OR instemmingsrecht heeft over de arbeidsvoorwaardelijke aspecten van de pensioenregeling, ongeacht of de pensioenuitvoerder een pensioenfonds is, een verzekeraar of een premiepensioeninstelling. Daarmee wordt de gesignaleerde lacune in het huidige instemmingsrecht gedicht. Met dit wetsvoorstel wordt een aantal wijzigingen voorgesteld. De belangrijkste worden hierna ingeleid en van commentaar voorzien.

E. Schop, ‘Verplichtgestelde Bpf-regeling, al dan niet in een Apf’, PensioenMagazine 2016/40
De discussie over de toekomst van het Nederlandse pensioenstelstel is in volle gang. Lange tijd leek het erop dat het daarbij alleen ging om de toekomstbestendige pensioenovereenkomst. In de beoogde ‘grand (re)design’ van het Nederlandse pensioenstelstel moet echter ook plaats zijn voor discussie over hoe een betere ordening van het uitvoeringslandschap kan bij dragen aan de efficiency van de uitvoering en daarmee aan de kwaliteit van het pensioenstelsel. Efficiency kan onder meer worden gevonden in het verleggen van de verplichtstelling op het niveau van de bedrijfstak naar de pensioenovereenkomst. Op deze wijze ontstaat er een vraag naar uitvoering van pensioenovereenkomsten en een aanbod van uitvoerders die kunnen functioneren als professionele financiële marktpartij, in plaats van een sociale instelling. Het recente onderzoek naar vrije keuze voor een uitvoerder en het daarop gebaseerde te verwachten wetsvoorstel kunnen een belangrijke stap in deze richting zijn.